Colloquium Werelderfgoedsteden

31 mei

Het stadsbestuur organiseert in samenwerking met de Vlaamse Overheid, agentschap Onroerend Erfgoed een internationaal colloquium rond het thema: “Werelderfgoedsteden in de 21ste eeuw”. Initiatiefneemster en schepen voor Erfgoed Mercedes Van Volcem nam er het woord. Hier volgt een resumé van haar toespraak die de ervaringen en het erfgoedbeleid in Brugge weerspiegelt.

Het materieel werelderfgoed bestaat uit 936 werelderfgoederen, waarvan 183 natuurerfgoed (N), 725 cultuurerfgoed (C) en 28 als een combinatie van beide: gemengd erfgoed, (C|N).

Van de 725 cultuurerfgoederen op de Werelderfgoedlijst van UNESCO zijn vandaag méér dan 260 steden te tellen. Bijna 40% van alle werelderfgoedsites zijn gelegen in stedelijke context.

Dynamische erfgoedsteden worden steeds vaker geconfronteerd met ontwikkelingen en hedendaagse ingrepen die de Uitzonderlijke Universele Waarde zouden kunnen schaden. Maar dergelijke ontwikkelingen zijn in bepaalde gevallen wel noodzakelijk. Een erkenning als Werelderfgoed lijkt daardoor soms bijna een belemmering voor het functioneren van onze steden in de 21ste eeuw. Werelderfgoedsteden moeten vandaag dus omgaan met fundamenteel dilemma’s.

Er staan 35 werelderfgoederen op de lijst van bedreigd werelderfgoed, omdat ze als werelderfgoed gevaar lopen om in hun waarde aangetast te worden door bijvoorbeeld grootschalige ontwikkelingen, hoogbouw, bebouwing,  ontbossing, maar ook door rampen en/of oorlog.

Een groeiend aantal werelderfgoedsteden worden geconfronteerd met “state of conservation” (SOC)” problemen. Aanleiding hiervoor zijn meestal project of initiatieven die de universele waarden van het WHP (World Heritage Properties) in het gedrang kunnen brengen.
We zien dat het aantal SOC (state of Conservation) rapporten dat aan het Werelderfgoedcomité wordt voorgelegd in belangrijke mate stijgt over de jaren heen.

Uit de detaillering van die cijfers blijkt dat zich vooral problemen voordoen binnen twee hoofdgroepen, met name alles wat te maken heeft met grootschalige ontwikkeling en infrastructuurwerken, en anderzijds met problemen ten aanzien van het beheer van het werelderfgoed en het juridisch kader dat hierop van toepassing is. Als we de cijfers nader bekijken dan zijn het vooral bouwprojecten, (grootschalige) ontwikkelingen, transportinfrastructuren, hoogbouwprojecten enz. die aanleiding geven tot discussies tot “SOC” rapporten.
Maar ook het algemeen beheer of management van WHP staat duidelijk onder druk wat ook vaak gekoppeld blijkt aan een institutionele en juridische factoren.

De procentuele weergave van de WHP die aangetast zijn door gebouwen of grootschalige ontwikkelingen vertoont een duidelijk stijgende lijn sinds 2005. Hoogbouwprojecten spelen hier heel duidelijk een overheersende rol in.

Problemen met het behoud en beheer van WHP zijn dus nauw verbonden met de wensen tot ontwikkeling, met herbestemmingsproblemen, met nieuwbouw,…

De hierna opgesomde namen van werelderfgoedsteden zijn slechts een fractie van een ellenlange lijst van werelderfgoedsteden die vandaag geconfronteerd worden met “State of Conservation” rapporten : Bordeaux, Brussel ,Doornik, Keulen, Liverpool, Londen, Gent, Brugge,…

Ook aan Brugge zijn vragen gesteld omtrent het behoud en beheer van de werelderfgoedsite.  Er zijn nochtans weinig steden waar meer zorg wordt besteed aan het behoud en beheer van het historisch erfgoed. Toch is er in de voorbije 40 jaar ruimte  gecreëerd voor ontwikkelingen die het kwalitatief leven in en functioneren van de stad ondersteunen. Een goed uitgebouwde sector Unesco & dienst voor Monumentenzorg en Erfgoedzaken volgt en begeleid alle initiatieven in de stad van nabij.

De historische binnenstad en haar bufferzone zijn Werelderfgoed sinds 2000. Het Begijnhof (1998) en het Belfort (1999) gingen de algehele bescherming vooraf.

Brugge is een gaaf bewaarde stad, nog steeds gevat binnen haar 13de-eeuwse grenzen. Het stadsweefsel en het ‘patroon’ of de ‘korrel’ van de oorspronkelijke bebouwing blijven grotendeels intact en duidelijk herkenbaar. Heel kenmerkend voor Brugge is de gotische baksteenarchitectuur, maar evenzeer de neogotische architectuur die in de 19de eeuw met een eerste grote restauratiegolf zorgt voor een voortzetting van de eeuwenoude bouwtraditie.
De uitzonderlijke universele waarde van Brugge is ook onlosmakelijk verbonden met de meesterwerken uit de paneelschilderkunst. Brugge wordt als bakermat van de Vlaamse Primitieven beschouwd, met als belangrijke kunstenaars Jan van Eyck en Hans Memling.

Brugge heeft haar stadslandschap, haar structuur en korrel – ondanks een aantal drastische ingrepen in later eeuwen – nog in belangrijke mate bewaard.

Brugge Culturele Hoofdstad van Europa 2002 betekende – naast een grootschalige restauratiecampagne van een aantal icoonmonumenten – ook een nieuwe impuls voor hedendaagse architectuur.
Brugge wou het verwijt van “disneyfication”, “louter museumstad”, “Bokrijk” te zijn, van zich afschudden en zich als historische stad duidelijk als actieve en levendige stad positioneren in de 21ste eeuw.
Het Concertgebouw is wellicht de belangrijkste realisatie en wordt internationaal toch beschouwd als een uitzonderlijk hedendaags bouwwerk.

Ondanks een jarenlang behoudingsgezind patrimoniumbeheer en een omzichtig ruimtelijk beleid in de binnenstad werden een aantal initiatieven door een bezorgde erfgoedvereniging bij Unesco Parijs aangekaart als destructief voor de uitzonderlijke universele waarde van het werelderfgoed Brugge. Dit resulteerde in een Unesco-missie in maart 2010 en in daaropvolgende aanbevelingen van Unesco in augustus 2010.

Wat waren onze doelstellingen gisteren, wat zijn ze vandaag, en in de toekomst ?

  • behoud van het stadslandschap, van het karakter en de korrel, van het patrimonium over de eeuwen heen
  • ontwikkelingen in harmonie met dit stedelijk landschap,  met de korrel en structuur moeten mogelijk blijven, om de actuele noden van de stad op te vangen
  • Hedendaagse architectuur van goede kwaliteit moet ook steeds mogelijk blijven

Maar het belangrijkste voor het leven in de stad zijn ook

  • de aantrekkingskracht en de levendigheid van de stad behouden en garanderen voor de toekomst voor bewoners en bezoekers.
  • Kleinschalige bedrijven en handelszaken moeten de mogelijk blijven om ook de socio-economische leefbaarheid en de tewerkstelling te garanderen. monitoring the effects of tourism and tourism development
  • De verdere ontwikkeling van het toerisme en de impact op het beheer van de stad, moeten van dichtbij opgevolgd worden

De stad, elke historische stad, is het resultaat van eeuwenlang bouwen en ontwikkelen. Bepaalde ontwikkelingen zijn ook in de 21ste eeuw noodzakelijk.

Een erkenning als Werelderfgoed lijkt daardoor soms bijna een belemmering voor het functioneren van onze steden in de 21ste eeuw. Werelderfgoedsteden moeten vandaag dus omgaan met fundamenteel dilemma’s.

Om een antwoord te vinden op deze probleemstelling is dit colloquium precies georganiseerd! Onze problemen zijn wellicht deze van andere werelderfgoedsteden;  de manier hoe we deze ervaren, hoe we hier mee omgaan, welke tools we kunnen inzetten, is precies het onderwerp van het colloquium vandaag.

Welke ingrepen tasten de universele en exeptionele waarde aan van het WHP? Wie oordeelt daarover op lokaal niveau, op regionaal niveau, bij Unesco?
Welke criteria zijn hiervoor voorhanden?

Juridische randvoorwaarden zoals dossierbehandelingstermijnen kunnen hierin ook een cruciale rol spelen.

Daarom als inzet tot dit colloquium volgende bedenkingen en vragen :

De 21ste eeuwse stad noodzaakt bepaalde  ontwikkelingen en die een uitdaging betekenen voor het beheer van onze Werelderfgoedsites.  Ze kunnen ingrijpen in het stadslandschap, in de korrel en structuur van de stad en aldus de Uitzonderlijke Universele Waarde schaden.

  • Hoe kunnen we deze problemen aanpakken zonder  de aantrekkingskracht en de levendigheid van de stad te verliezen?
  • Hoe moeten we ageren, reageren op problemen die zich stellen?
  • Hoe kunnen we groei verzoenen met behoud van de “integriteit” en de “authenticiteit” van onze Werelderfgoedsites?
  • Welke middelen worden ons aangereikt door Unesco?  Hoe kan de communicatie vlotter verlopen?

Ik hoop van harte dat dit colloquium een opportuniteit is om antwoorden en middelen te vinden rond deze problemen.

Ik hoop ook dat de communicatie en discussies die wij vandaag starten, kunnen resulteren in de opstart van een actief netwerk tussen de werelderfgoedsteden onderling, met Unesco en met alle partners die erbij betrokken zijn.

Steeds met volle inzet,

Mercedes Van Volcem