Brugge

Van Volcem over wonen in de stad

De stad is voor mij het centrum van vooruitgang en uitvindingen. Iets aantrekkelijks.  Wie gaat wonen in de stad? Moeten we dit aanmoedigen? Zijn er grenzen aan groei?  Vaak stelt men dat wonen in de stad duur is en daarom veel jonge mensen de stad verlaten.  Het is natuurlijk iets genuanceerder dan dat. Het is een feit dat elke beleidsmaker graag jonge mensen in zijn stad wil die gaan werken omdat zij zorgen dat via de personenbelasting de stadsfinanciën ook in evenwicht blijven.  Er ontstaat vaak een strijd om de huisvesting van de middenklasse.  Toch zal in de 21ste eeuw er ook een evolutie zijn. Als gewezen schepen van ruimtelijke ordening en wonen en als Vlaams Parlementslid volg ik het wonen en de trends op.  Er is een groot verschil tussen wat stedenbouwkundigen en universiteiten bepleitten en wat in de praktijk op het veld gebeurt. Utopia wordt beschreven in boeken maar de vraag is hoe we op een realistische wijze progressie kunnen maken naar duurzame, kwalitatieve steden om in te wonen.  Opdat we het geluk van het individu in het woonbeleid centraal kunnen stellen. Hoe kunnen we een liberaal woonbeleid voeren? Wat is een liberaal woonbeleid in de stad? Komen liberalen dan zichzelf niet tegen?

In 2050 zullen 75 % van de mensen in steden wonen. Vandaag wonen er in Vlaanderen 25 % van de mensen in de centrumsteden.   De stad kent uitdagingen inzake demografie en duurzaamheid.

Wonen in de stad

De stad is ideaal om te wonen als je overal dicht bij wil zijn. Bij de school, de ontspanningsmogelijkheden, … maar ook als je werkt in die stad en niet in de file wil staan. Steden groeien aan als er veel te beleven valt en als er werk is. Maar er is meer. De stad zal maar aantrekkelijk blijven als ze ook open ruimte telt en leefbaar blijft.  Wegen vermoorden vaak de stad, net als grote infrastructuur.  Beleidsmakers van steden moeten volgens mij inzetten op de groene en blauwe dooradering van de stad.  Water in de stad is zeer belangrijk (wonen aan het water, ontspannen aan het water, ….) alsook groene boulevards, parken, bossen en open ruimte.

De stad moet ook zijn rustpunten kennen.  Plaatsen waar jonge gezinnen kunnen picknicken en waar gepensioneerden op hun gemak kunnen wandelen, petanquen en zitten.   Als liberaal ben ik ervan overtuigd dat wonen niet alleen de privatieve plek is maar ook de plek waar je leeft (omgeving). Daarom ben ik voorstander om als liberaal de woning te laten bouwen conform de wensen van de bouwer uiteraard binnen de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening.  De overheid moet niet zelf bouwen, laat staan collectief bouwen.  De overheid moet net instaan voor alles rond de woning.   Een school, voorzieningen om te winkelen, zorg, groen, …. De overheid heeft de opdracht om de mensen te laten wonen in een kwalitatieve omgeving.  De overheid moet een strategie uitzetten en alles aftoetsen aan die strategische plannen.

Ik ben dan ook voorstander om te investeren in collectief groen, aankoop van bossen, aanleg van parken, …. De open ruimte is net de ruimte waar iedereen recht op heeft en die voor iedereen gelijk is.  The public space is the equalizing factor. Toegang tot groen is de opstap tot inclusie nu en in de toekomst.

Als overheid moet je immers proberen om voor iedereen in dezelfde omstandigheden hetzelfde te willen doen. Dit wordt vaak vergeten. Vele steden hebben een stadsontwikkelingsbedrijf opgericht. Dit zijn volgens mij overbodige vehikels. Een goede administratie van planners en urbanisten en een stadsbestuur met visie moet volstaan. Ik ben grote voorstander dat de overheid zich beperkt tot de regierol maar wel duidelijk stelt waar ze naar toe wil.

Ik ben evenmin voorstander van sociale huisvestingsmaatschappijen die woningen en appartementen bouwen en die dan verkopen  aan een goedkopere prijs. Klinkt goed in de pers, maar in wezen fundamenteel oneerlijk.

Stel dat je op jaarbasis in een stad 2,5 miljoen euro wil besteden aan betaalbaar wonen.  Sommige stadsbesturen  verkopen hun eigen grond goedkoop aan bepaalde jongeren die bovenaan op een wachtlijst staan, of ze bouwen zelf 50 woningen die ze verkopen aan 200 000 euro in plaats van 250 000 euro.  Anderen geven hun schaarse grond in erfpacht.  De stad heeft dan dat jaar 50 mensen een prijsvermindering gegeven op een woning van 50 000 euro (2,5 miljoen euro). Vijftig gelukkigen maar er zijn 2 500 mensen in dezelfde omstandigheden. 2 450 hebben dit voordeel niet gekregen.  Ik vind dat fundamenteel onjuist. Als stad en als Vlaamse overheid heb je de plicht om hetzelfde te doen voor iedereen in dezelfde omstandigheden.

Als liberaal pleit ik voor gelijkheid.  Betaalbaar wonen betekent bijvoorbeeld voorzien in betaalbare kinderopvang voor iedereen, goedkoop parkeren ondergronds, collectieve tuinen onderhouden door de stad die voor iedereen toegankelijk zijn. De stad kan ook investeren in pontons in het water waar men kan lezen of zonnen…  Deze opdracht, de investering in een kwalitatief en groen openbaar domein, is een liberale gedachte omdat het openbaar domein net voor iedereen toegankelijk is en niet alleen voor de happy few.

Als liberaal ben ik ook tegen de bouw van sociale woningen. Waarom moet er door de overheid collectief worden gebouwd? Dit systeem is zeer inefficiënt en op termijn onbetaalbaar. Er worden nieuwe huizen gebouwd voor mensen met de zwakste inkomens. Bovendien worden die woningen levenslang toegekend zonder dat er rotatie mogelijk is. Het resultaat is dat er 92 000 mensen op de wachtlijst staan en dat er jaarlijks 2 500 woningen worden bijgebouwd. Druppels op een hete plaat. Waarom niet rechtvaardiger? Men sluit de ogen voor de wachtenden in dezelfde omstandigheden.  Stop de bouw van nieuwe sociale woningen. De wegen moeten worden aangelegd (duur) en een project duurt gemiddeld zes jaar (traag vooruit).  Beter is een tijdelijke huursubsidie in te voeren voor zij die het (tijdelijk) nodig hebben. Iedereen gelijk behandelen.  Nu kan een vrouw die gescheiden is en haar onderhoudsgeld niet krijgt en werkloos is bij niemand terecht en moet ze dubbel zoveel huur betalen dan iemand die in een sociale woning woont… De gefailleerde kan niet geholpen worden. De man met vier kinderen en laag inkomen staat gemiddeld 970 dagen op de wachtlijst.

In Zweden bestaat geen sociale huisvesting. Iedereen wordt opgevangen binnen de bestaande en nieuwe ontwikkelingen. Een echte sociale mix dus.

Ik ben niet tegen een sociaal woonbeleid maar tegen bouw van sociale woningen en de wijze waarop ze vandaag worden toegewezen. Ook de bouwstijl is vaak ondermaats. Een ruimtelijke ordening is vaak met twee maten en twee gewichten. In de sociale woonwijk moet men niet ondergronds parkeren en is er een mindere strenge parkeernorm. Waarom bouwt men altijd in die schrale  hedendaagse architectuur? Waarom niet een nieuwe tuinwijk voor de zwakkeren realiseren? Waarom niet eens een sociale woonwijk in pastoriestijl? Men lacht dit weg, maar de middenklasse mag zo bouwen, maar wie een zwak inkomen heeft moet in moderne koele blokken wonen? Het collectief bouwen is meestal een nivellering naar beneden.  Laat creativiteit van het individu toe. Op zijn kavel, in zijn huis, in zijn woonkamer, in zijn tuin… Individualiteit leidt altijd tot diversiteit en karaktervorming. Collectiviteit gaat meestal samen met banaliteit.

Ik ben dan ook voorstander om het grond en pandendecreet volledig af te schaffen.  Bovendien is er nu ook een sociaal bindend objectief van negen procent voor elke gemeente.  In Brasschaat zijn er misschien 20 procent huurders en toch moeten er 9 procent sociale woningen zijn?  In Antwerpen zijn er 50 % huurders en moeten er ook maar 9 procent sociale woningen zijn? Is het niet beter het beleid en middelen af te stemmen op de behoefte en wachtlijsten  in plaats van procenten?

Bovendien is de stad of de gemeente op zich ook een zeer eigenaardig meetinstrument voor het woonbeleid.   Het woonbeleid zou op grotere schaal moeten benaderd worden. Ik ben voorstander van regionale woonmarkten (stadsregio’s).  Nu telt Antwerpen bijna 500 000 inwoners en Gent ongeveer de helft en Brugge een vierde.  Brugge verliest het meest jonge gezinnen, maar ze huisvesten zich allemaal in de nabij gelegen gemeenten (Oostkamp, Jabbeke, Zedelgem, …) omdat in het buitengebied 15 woningen per hectare mogen gebouwd worden (lees grotere tuinen) en in de stad 25 woningen per hectare (lees kavels van max 300 m²). Jonge mensen vestigen zich ook daar waar er een goede ontsluiting is naar de autostrade (weg naar het werk). Bovendien zijn er in de rand ook minder wachtlijsten voor scholen en kinderopvang.

Het  systeem van de categorisering en diens beleid van ‘centrumsteden’ is achterhaald.  Weinig  centrumsteden zijn even groot qua inwoners. Allen verschillen in ontwikkeling.  Wat met de steden die net geen ‘centrumstad’ zijn?

Hoe gaan we in de toekomst bouwen in de nieuwe eco-stad ?             

Het is een feit dat er nood zal zijn aan extra woningen (woonbehoefte) en dat de er ook gezinsverdunning  is. De nood aan kleine woongelegenheden zal het komend decennium nog groeien, terwijl de grotere woningen zullen dalen zeggen stedenbouwkundigen. Ik ben niet zo overtuigd van deze tendens. In Vlaanderen wonen we groot. Gemiddeld wonen we op 104m². Het is ook nog steeds de wens van de Vlaming om ruim te wonen, als hij dit budgettair kan.

Er is ook een vraag naar betaalbare woningen op de huur-en koopmarkt. Niet alleen voor jonge gezinnen maar ook voor gescheiden vaders en moeders met kinderen.

Werk en levenswijze zijn niet meer statisch. Er is steeds meer mobiliteit in het werk maar ook relaties wijzigen vaak. De behoefte aan kleinere ruimtes is vaak tijdelijk (als men alleen is) maar worden vaak te klein voor samengestelde gezinnen.

Er zal dus altijd behoefte zijn aan grote woningen. We kunnen wel stimuleren dat grotere woningen worden gedeeld met roommates.  Een huis heeft een lege kamer, die gemakkelijk kan verhuurd worden aan iemand die werkt of studeert.  Ook Airbnb speelt in op deze behoefte voor het toerisme. Ook in het woonbeleid moeten we creatiever durven omgaan met de reeds bestaande ruimte.

Thans is alles nog geënt op de eengezinswoning. De woning die wordt behuisd door 1 gezin. Wat is een gezin vandaag? Twee vrouwen of twee mannen, een wedersamengesteld gezin, …. De vele BPA’s in Vlaanderen voorzien de eengezinswoning en beschermen die.  Ik pleit voor een afschaffing van de formele definitie van eengezinswoning.  Waarom bepalen we gewoon niet de ruimte per persoon en ben je vrij te wonen bij wie je wil?

We kunnen trouwens niet blijven bijbouwen. We moeten slim omgaan met de ruimte. Ik pleit voor inbreidingsprojecten, wonen langs het water, hoogbouw waar dit kan, …

Er zijn immers grenzen aan de groei. De rand gaat soms gedrukt onder de groei van de stad.  De keuze om uit te zwermen is een gevolg van vaak te dens wonen in de stad. Mensen willen open ruimte en ademen.   Ik ben ook voorstanders van voortuinen (kwalitatieve straat), brede straten (hoogte van de gevel),  autodelen, elektrische fietsen… Net zoals het veel aangenamer wonen is daar waar de fietser en de voetganger centraal staan.

De parkeernormen moeten we ook herdenken. In de stad wordt vaak 1.33 of 1.5 of 2 parkeerplaatsen per wooneenheid gehanteerd. Zo trek je auto’s aan. De kunst is bij nieuwe ontwikkelingen ondergronds wagens te voorzien en mensen aan te trekken zonder wagens. Uiteraard moet je dan goed ontsloten zijn met het openbaar vervoer.

Minimum oppervlaktes en mix

De stad telt vaak meer mensen met een laag inkomen. Ze hebben geen wagen en in de stad is er meer openbaar vervoer en hebben ze alles dichtbij.  In de stad woont men vaak ook kleiner waardoor de huurprijzen lager zijn.

De stad moet erover waken dat huizen niet oneindig worden opgesplitst in kleine studio’s of kamers. Indien hele wijken zo worden ontwikkeld dan krijg je een waardevermindering in de buurt. Sociale mix kan je bewerkstelligen door via gemeentelijke verordeningen opsplitsen te beperken, minimale oppervlaktes te garanderen en bij nieuwbouw meteen mix van oppervlaktes te voorzien.

In Antwerpen zijn er de laatste 10 jaar ongeveer 50 000 mensen bijgekomen. Toch is er maar 3% bijgebouwd.  In Antwerpen zijn er veel panden opgesplitst maar recent werd ook daar de verordening aangepast.  Ook in Leuven, Antwerpen, Gent, Brugge zijn er criteria.

Als je veel kleine wooneenheden realiseert, zal je ook veel mensen in je stad hebben met een laag inkomen, die een lage huur kunnen betalen.

Alles wat lelijk is onder de grond

Als stad is het beter om bruggen af te breken en deze te ondertunnelen. Op die plaatsen parken aanleggen maakt een stad mooi en leefbaar.

Bescherm je fietspaden

In Londen legt men vele fietspaden aan. De elektrische fiets is ook een oplossing voor hij die wat verder moet of in niet zo’n goede conditie verkeerd.   Een leefbare stad is een stad waar de wagen niet verbannen wordt, maar de fietsers worden aangemoedigd.  De stad moet zo worden ingericht dat het zich leent voor voetgangers en fietsers.

 

CO2 neutrale woonsteden – footprint reduceren

 

Voordelen voor keyworkers ?

In sommige steden in de Verenigde Staten gaat men nog verder en kent men voordelen toe aan keyworkers in de samenleving. Zo kent men voordelen toe aan verpleegsters, brandweermannen, politie, …. Men stimuleert ook winkels om te blijven, gezondheidswerkers en leerkrachten om in de stad te blijven wonen.

Schaf het KI af als maatstaf voor registratierechten

He KI voor een woning in de  stad is vaak hoger dan in het buitengebied. Nochtans zijn de woningen in het buitengebied vaak groter.  Het zou een horizontale rechtvaardigheid bewerkstelligen mocht men de registratierechten niet langer koppelen aan het KI maar aan de verkoopprijs.  De eerste schijf van 200 000 euro zou men kunnen vrijstellen van registratierechten of het verlaagd tarief hanteren op die schijf. Nu krijg je enkel verlaagd tarief als je KI lager is dan 750 euro. Bij een nieuwbouw of inbreidingsproject is het KI altijd hoger. Je wordt dus gestraft bij de aankoop van je woning en nadien bij de onroerende voorheffing.

Onroerende voorheffing

Ik ben tegen de onroerende voorheffing. Dit is een echte vermogensbelasting. Voor 42 % van de mensen zelfs op een woning die ze nog aan het afbetalen zijn. Dus je wordt belast op iets dat je probeert te verwerven en waar je nog voor afbetaalt.

Stadsvernieuwingszones

De stad kan stadsvernieuwingszones afbakenen op plaatsen die echte stadskankers zijn. Door de hogere reconversiekost is het voor investeerders vaak niet aantrekkelijk om er contextgebonden projecten te realiseren.  Om dergelijke stadsvernieuwing aan te moedigen moet in die stadsvernieuwingszones zes procent BTW gelden in plaats van 21 procent.

Woonbonus

In 2014 komt de bevoegdheid van de woonbonus over naar de regio’s.  Thans kan je gedurende 20 jaar  2 200 euro aftrekken aan marginaal tarief. We moeten het verwerven van een woning blijven stimuleren. Dit zorgt trouwens voor sociale mobiliteit. Als stedeling ben ik voorstander om de woonbonus te verhogen voor zij die in de stad gaan wonen. Op die wijze stimuleren we het wonen in de stad.  De woonbonus mag tevens gekoppeld worden aan energiezuinige maatregelen. Ik zou tevens een woonbonus geven aan eigenaar-verhuurders die hun huis verhuren conform het sociaal huurbesluit.

Eigen woning – Waardevermindering

Inwoners investeren zelf ook in collectieve meerwaarde via belastingen maar ook via private initiatieven. Het vondelpark in Amsterdam is daar een voorbeeld van.  Een kwalitatieve buitenruimte maakt het aantrekkelijk om er te wonen.

Toch is waardevermindering geen argument als je beroep aantekent bij de Raad voor Vergunningenbetwistingen. Indien financiële argumenten ook in aanmerking zouden worden genomen zou dit ook de draagkracht van deze initiatieven kunnen vergroten.

Als er naast je woning  een opvangtehuis komt voor drugsverslaafden dan daalt je woning tot helft van de prijs. Het is normaal dat mensen zich verzetten tegen dergelijke evoluties en andere redenen zoeken dan de waardevermindering om dit tegen te gaan. Indien deze waardevermindering vergoed zou kunnen worden omdat de nood in de samenleving dit vereist dan zou je meer draagkracht krijgen bij te realiseren projecten.  De last van een nood in een samenleving wordt vaak door directe buren gedragen en niet gesolidariseerd.

Wie een herenwoning koopt in de stad en naast zijn woning een fuifzaal krijgt, heeft met dezelfde lasten te maken.  De stad heeft een fuifzaal nodig maar de overlast wordt gedragen door 1 persoon en dus geprivatiseerd. Dit is de reden dat er veel processen zijn.

De stad moet ook verrassend zijn. Men moet kunnen inspelen op noden.  Zo ontstaan in steden ook pop-up stores of restaurants. De stad is de broedplaats voor verandering. De stad is best niet te voorspelbaar want ze wordt anders nogal saai. Het onvoorspelbare maakt de stad een leuke plaats om te wonen.   Je thuis voelen in de eindeloze stad.

Ruimte voor initiatief en een pleidooi voor de spontane stad

Wie investeert in de stad wil niet dat zijn buur zorgt voor waardevermindering.  De bouw van een toren mag een wijk of een stadsdeel niet in de schaduw zetten. Er zijn collectieve regels nodig, maar de regels moeten we reduceren tot een minimum. In een spontane stad laat je flexibiliteit en creativiteit toe. In plaats van BPA’s en masterplannen ben ik voorstander van strategieën.  Geen statische plannen maar plannen die dynamiek toelaten.   Ik ben voorstander van spontane initiatieven in plaats van PPS formules. Londen heeft een traditie van private investeringen. Hier willen onze Vlaamse steden allemaal stadsontwikkelingsbedrijven oprichten.  Vaak zijn het financiële vehikels om de stad extra te laten spijzen. Dit is een verkeerde keuze. Zowat alles wat we mooi vinden is uit privaat initiatief ontstaan. Een slimme investeerder investeert ook in de publieke ruimte om hun investering op termijn de waarde van het gebied opkrikt. Nu wordt de private initiatiefnemer te vaak als een aasgier bekeken.  Initiatief moet net toegejuicht en gestimuleerd worden.  Een slimmer regie door de overheid moet volstaan.

Stimuleer kleinschalige privé-initiatieven. Het is minder riskant om te investeren in je buurt, als je die goed kent, dan te beleggen in financiële producten die je niet begrijpt.

Geen prijsdalingen in de stad

De stad moet een pro actief huisvestingsbeleid voeren met antwoorden op groei, milieuvriendelijkheid, prijs (vraag en aanbod), mobiliteit, energie, type van woningen en grondreserves.  Nieuwbouw moet zich focussen op energiezuinige stadsappartementen.  Er is nood aan een vraaggericht woonbeleid waarbij elke doelgroep kan worden bediend.

Intergemeentelijke concurrentie voor jonge tweeverdieners

De jonge tweeverdieners brengen op aan de stadsfinanciën. Andere groepen kosten aan de gemeente of de stad om dat zij allerlei hulp nodig hebben. De rand focust op grotere percelen net om de jonge gezinnen aan te trekken.  De stad kan niet concurreren want ze heeft die ruimte niet.

 

Verkavelen van villa en woonparken

De herbestemming van villaparken is iets wat goed klinkt, maar niet uit te voeren is. Wie een villa koopt in een woonpark, wil niet dat zijn buur zijn kavel opsplitst in kleinere percelen of urban villa’s. Opnieuw gaat het om waardevermindering.  Men wil vaak tussen gelijkgezinden wonen en de dokter/architect die bijvoorbeeld een woning kocht in een villa park voor 700 000 euro wil niet dat de wijk aan waarde verliest en daardoor ook zijn woning. Begrijpelijk als die woning nog moet worden afbetaald. Wie gaat graag werken voor een waardevermindering?

De babyboomvilla’s

Wie levenslang voor zijn huis heeft gewerkt, wil vaak in de woning blijven. Vraag is of we ouderen moeten stimuleren om kleiner en compacter te gaan wonen? Als liberaal vind ik van niet. Wie oud is mag in een te grote woning blijven als hij dit wil en kan. Geluk van de mens is even belangrijk als een optimalisatie van de bestaande ruimte. De ruimte is onderbenut maar toch onbetaalbaar voor het grote jonge gezin.

De kangoeroewoning is vaak geen succes

Naast sociale mix wordt vaak het wonen met verschillende generaties als ideaal voorgesteld.  De jonge mensen gaan werken en de ouderen passen intussen op de kinderen.  In appartementsgebouwen is het alvast geen succes. Er is een andere dynamiek. De ouderen hebben tijd en willen vaak rust. De jongere kinderen maken veel lawaai en de ouderen komen vragen of het wat stiller kan zijn. Het is niet altijd zo, maar het gebeurt te veel.

Bij de individuele woning een kangoeroewoning bouwen is ook geen groot succes. Waarom?  Het gezin leeft gejaagd en komt ‘s avonds thuis met veel stress. De oudere wacht al heel de dag tot ze iemand ziet, maar er is geen tijd in het stressmoment van koken en vermoeide kinderen. Ik denk dat ouderen vaak eenzamer zijn in een kangoeroewoning dan in een serviceflat of assistentiewoning.

Ouderen onder elkaar kunnen eventueel schaken of gezelschapsspelen, petanque spelen samen de tuin onderhouden, wandelen met dieren, ….

Een toenemende behoefte om te wonen met gelijkgestemden

Gelijkgestemden kunnen worden omschreven  als mensen met een zelfde activiteiten- en waardepatroon. Dit doet zich ook voor bij de trend co-housing.  Bij co-housing wordt dit aanvaard omdat het meestal om een duurzaam project gaat met gemeenschappelijke ruimtes. Als men dit op een individuele basis bepleit, lijkt alsof men asociaal is. Toch is de mens de maat der dingen. Van overheidswege zaken opleggen, leidt vaak tot mislukte projecten. In Nederland bestaan er veel studies en casussen van.  Gelijkgestemden in een woonblok zijn vaak gelukkig. Indien men zich niet thuis voelt of niet op zijn gemak (is iets wat niet wettelijk te regelen valt) verhuist men en staat er dikwijls een appartement leeg. Dit maakt dat er ook geen sociale cohesie is door het vele verloop.

Gelijkgestemden vertonen hetzelfde gedrag maar hebben niet per definitie dezelfde leeftijd, etniciteit of hetzelfde inkomen.  Soms heeft het betrekking op geborgenheid of veiligheidsgevoel (private woondomeinen), delen van een hobby, etniciteit (Turkse wijk, …)of hebben eenzelfde levensovertuiging (collectief groen, wasplaats, duurzaamheid).

Mensen leven graag in een buurt waarin ze zich vertrouwd voelen. Ze willen niet perse sociale cohesie.  De wereld is een dorp en de buur wordt niet noodzakelijk als vriend gekozen. De warme samenleving kan een buurt of wijk zijn, maar het individu kan ook warm zijn of sociaal bij anderen (niet uit de buurt of omgeving).

De opkomst van transnationaal wonen (permanent of tijdelijk in buitenland wonen) en huis delen

In Vlaanderen heeft men de traditie niet vaak te verhuizen. Integendeel, vaak rijdt men liever in de file om toch zijn woning te kunnen behouden. Vandaag is er toch een beetje een kentering.  Omwille van de steeds grotere files en het inboeten aan levenskwaliteit zoeken meer en meer mensen een woning dicht bij het werk.  Sommige mensen hebben ook meerdere woningen.  Dit komt door de toegenomen welvaart.  Tweede woningen kunnen alle vormen aannemen (stacaravans, villa’s bungalows, …) . Wat met meervoudig burgerschap?  Verwacht de overheid de registratie van een hoofdverblijf of niet?

In de stad kan men op een intelligente manier nadenken over combinaties van wonen, werken, vermaak, mobiliteit en duurzaamheid.  Wat met kinderopvang in leegstaande woningen?

Moeten we weldra dorpsvlucht verwachten in België?  In andere landen bestaan er spookdorpen. Voorlopig lijkt dit in ons land goed mee te vallen. Maar wat met landelijke gebieden die verouderen en weinig jongeren kunnen aantrekken?

Wonen en dienstverlening

Het wonen is steeds meer vervlochten met andere functies. De woning is dus meer dan een plek om te eten en te slapen. Je kan er ook werken, zorg ontvangen, … Het mengen van functies is de sterkte van een buurt of wijk.  Woonondersteunende functies zoals strijkcentrales, kinderopvang, etc. vormen een absolute meerwaarde voor gans de wijk.

Werken in de stad

De krant NRC Handelsblad is van een kantoorblok in de rand van Rotterdam naar een pand in het centrum van Amsterdam verhuist. Het is een voorbeeld van vernieuwing in een dichtbebouwde en historische context. Voor de redactie is het gebouw meer dan een plek om te werken. Er zijn een ‘grand café’, een boekhandel, plaatsen voor discussies,…